1 Het eindexamen, algemeen
Artikel 3
- Het eindexamen bestaat voor ieder vak uit een schoolexamen en, voorzover dat is aangegeven in het eindexamenprogramma, genoemd in artikel 7, tevens uit een centraal examen.
- Het schoolexamen vwo en havo omvat mede een profielwerkstuk. Het bevoegd gezag bepaalt op welk vak of welke vakken binnen het profiel van de kandidaat het profielwerkstuk betrekking heeft.
Artikel 4
- Het eindexamen vwo omvat:
- de vakken van het gemeenschappelijk deel van het profiel, genoemd in artikel 19, eerste en tweede lid, van het Landsbesluit scholen vwo, havo, vsbo, met dien verstande dat, indien het bevoegd gezag hiervoor heeft gekozen, voor de bepaling van de eindcijfers de onderdelen literatuur van de talen tezamen als het vak literatuur van het gemeenschappelijk deel worden aangemerkt.
- de vakken van het profieldeel van een van de profielen, genoemd in artikel 19, vijfde tot en met achtste lid, van het Landsbesluit scholen vwo, havo, vsbo, waaronder tevens begrepen een profielwerkstuk, en
- vakken en andere programmaonderdelen van het vrije deel van elk profiel, genoemd in artikel 19, negende lid, van het Landsbesluit scholen vwo, havo, vsbo met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen onderdeel zijn van het eindexamen uitlsuitend voorzover de Minister daarvoor goedkeuring heeft verleend.
- In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor vwo, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken, waarvoor hij een bewijs van kennis of een certificaat kan overleggen.
- In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor vwo en in het bezit is van het diploma havo, bij het eindexamen vrijgesteld van de volgende vakken van het gemeenschappelijk deel: algemene natuurwetenschappen, algemene sociale wetenschappen en culturele & artistieke vorming.
Artikel 5
- Het eindexamen havo omvat:
- De vakken van het gemeenschappelijk deel van elk profiel, genoemd in artikel 19a, eertse tot en met derde lid, van het Landsbesluit scholen vwo, havo, vsbo;
- De vakken van het profieldeel van een van de profielen, genoemd in artikel 19a, vierde tot en met zevende lid, van het Landsbesluit scholen vwo, havo, vsbo, waaronde tevens begrepen een profielwerkstuk, en
- Vakken en andere programmaonderdelen, genoemd in artikel 19a, achtste lid, van het Landsbesluit scholen vwo, havo, vsbo met dien verstande dat door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programmaonderdelen onderdeel zijn van het eindexamen uitsluitend voorzover de Minister daaraan goedkeuring heeft verleend.
- In afwijking van het eerste lid is de kandidaat die het eindexamen aflegt aan een school voor havo, bij het eindexamen vrijgesteld van de vakken, waarvoor hij een bewijs van kennis of een certificaat kan overleggen.
Artikel 8
- Het deelexamen en eindexamen wordt onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag afgenomen door de examencommissie, bedoeld in het tweede lid.
- De examencommissie bestaat uit de directeur en de examinatoren van de desbetreffende school. De directeur is voorzitter van de examencommissie. De directeur wijst één van de personeelsleden van de school aan als secretaris van de examencommissie.
- De voorzitter draagt zorg voor een goed verloop van het eindexamen.
- Het centraal examen staat onder toezicht van de gecommitteerden.
2 Het schoolexamen
Artikel 9
- Van alle vakken, deelvakken en programmaonderdelen, bedoeld in de artikelen 19, 19a en 20 van het Landsbesluit scholen vwo, havo, vsbo, behalve van door het bevoegd gezag vast te stellen vakken die geen onderdeel zijn van het eindexamen, wordt een schoolexamen afgenomen.
- Het bevoegd gezag bepaalt het tijdstip waarop het schoolexamen aanvangt. Het schoolexamen wordt tenminste tien dagen vóór de aanvang van het centraal examen afgesloten.
- Het bevoegd gezag kan in afwijking van tweede lid, tweede volzin, een kandidaat die ten gevolge van ziekte of een andere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid het schoolexamen niet heeft kunnen afsluiten voor de aanvang van het eerste tijdvak, in de gelegenheid stellen het schoolexamen in dat vak af te sluiten na de aanvang van het eerste tijdvak doch vóór het centraal examen in dat vak.
- In afwijking van het tweede lid, tweede volzin, geldt voor het havo dan wel vwo dat het schoolexamen voor de vakken lichamelijke opvoeding, culturele en artistieke vorming en het profielwerkstuk uiterlijk moet zijn afgesloten op een datum gelegen na de aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen, doch uiterlijk een week voor de aanvang van het tweede tijdvak. In geval van een afwijking in de zin van de eerste volzin zendt het bevoegd gezag de met het schoolexamen en het profielwerkstuk behaalde resultaten zo spoedig mogelijk aan de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie.
Artikel 10
- 1. Het schoolexamen in een vak bestaat uit mondelinge, schriftelijke of praktische toetsen dan wel een combinatie daarvan.
- 2. Van iedere beoordeling die bij het bepalen van het eindoordeel over een kandidaat meetelt, stelt de examinator de kandidaat zo spoedig mogelijk in kennis.
Artikel 11
Het schoolexamen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het schoolexamen zoals gedocumenteerd in een door het bevoegd gezag gekozen vorm.
Artikel 12
- Het bevoegd gezag stelt een examenreglement vast. Het examenreglement bevat in elk geval informatie over de maatregelen, bedoeld in artikel 13, en de toepassing daarvan, alsmede regels met betrekking tot de organisatie van het eindexamen, de gang van zaken tijdens het eindexamen, het herexamen van het schoolexamen. Ten aanzien van het herexamen wordt in elk geval bepaald, in welke gevallen een herexamen mogelijk is. Ook kan worden bepaald dat tot die gevallen kunnen behoren gevallen dat de kandidaat door ziekte of als gevolg van een bijzondere, van zijn wil onafhankelijke, omstandigheid niet in staat is geweest aan de desbetreffende toets deel te nemen.
- Het bevoegd gezag stelt jaarlijks vóór 1 augustus een programma van toetsing en afsluiting vast, dat in elk geval betrekking heeft op het desbetreffende schooljaar. In het programma wordt in elk geval aangegeven welke onderdelen van het examenprogramma in het schoolexamen wordt getoetst, de inhoud van de onderdelen van het schoolexamen, de wijze waarop het schoolexamen plaatsvindt, de tijdvakken waarbinnen de toetsen van het schoolexamen aanvangen, het herexamen daaronder mede begrepen de wijze van het herexamen van het schoolexamen, alsmede de regels voor de wijze waarop de beoordeling van de toetsen en de totstandkoming van cijfers voor het schoolexamen voor een kandidaat tot stand komt.
- Het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting worden door de directeur vóór 1 augustus toegezonden aan de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie en verstrekt aan de kandidaten.
Artikel 13
- Indien een kandidaat zich aan het schoolexamen onttrekt of zich aan enige andere onregelmatigheid ten aanzien van het schoolexamen schuldig maakt, kan, ongeacht hetgeen daaromtrent nader in de regeling wordt bepaald, de voorzitter van de examencommissie, na overleg met de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie:
a) de kandidaat de deelname aan één of meer delen van het schoolexamen ontzeggen;
b) één of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het schoolexamen van de kandidaat ongeldig verklaren;
c) het cijfer 1 voor een toets van het schoolexamen van de kandidaat toekennen.
- Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, wordt niet genomen dan nadat de kandidaat en bij minderjarigheid van de kandidaat in aanwezigheid van diens ouders, voogden of verzorgers, in de gelegenheid is gesteld om zich te verweren.
- Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, houdt ontzegging van deelname aan het centraal examen in.
- Een beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, houdt in dat de kandidaat op een door de voorzitter van de examencommissie te bepalen tijdstip in de gelegenheid moet worden gesteld de ongeldig verklaarde toetsen wederom af te leggen.
- Van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, stelt de voorzitter van de examencommissie de kandidaat, en bij minderjarigheid van de kandidaat ook diens ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat, en de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie schriftelijk binnen drie dagen in kennis.
- Na in kennis te zijn gesteld kan de kandidaat tegen een schriftelijke beslissing van de voorzitter van de examencommissie binnen drie dagen schriftelijk in beroep gaan bij de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie.
- In het geval van het zesde lid stelt de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie een onderzoek in en beslist binnen twee weken op het beroep. Hij kan de termijn, bedoeld in de vorige volzin, met redenen omkleed verlengen met ten hoogste twee weken. De met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie deelt zijn beslissing schriftelijk mede aan de kandidaat en de voorzitter van de examencommissie.
Artikel 14
- De examinator drukt zijn eindoordeel over kennis, inzicht en vaardigheden van een kandidaat in elk vak uit in een cijfer voor het schoolexamen.
- Daartoe wordt gebruikt één van de cijfers 1 tot en met 10, met de daartussen liggende cijfers met een decimaal. In deze schaal van cijfers komt aan de gehele cijfers 1 tot en met 10 de volgende betekenis toe:
1 = zeer slecht 6 = voldoende
2 = slecht 7 = ruim voldoende
3 = zeer onvoldoende 8 = goed
4 = onvoldoende 9 = zeer goed
5 = bijna voldoende 10 = uitmuntend
- In afwijking van het tweede lid wordt het cijfer van het schoolexamen voor een vak, waarvan geen centraal examen wordt afgenomen, afgerond op een geheel getal.
- Voor zover een kandidaat door twee of meer leraren gezamenlijk is geëxamineerd, bepalen deze leraren in onderling overleg het cijfer voor het schoolexamen.
- Indien de leraren niet tot overeenstemming komen, wordt het cijfer bepaald op het rekenkundige gemiddelde van hun beoordeling. Indien bedoeld gemiddelde een cijfer met twee of meer decimalen is, wordt dit cijfer afgerond op de eerste decimaal, met dien verstande dat deze decimaal met 1 wordt verhoogd indien de tweede decimaal zonder afronding 5 of hoger is.
- In afwijking van het tweede lid, worden het deelvak culturele en artistieke vorming en het deelvak lichamelijk opvoeding uit het gemeenschappelijk deel van elk profiel, beoordeeld met “voldoende” of “goed”. Deze beoordeling gaat uit van de mogelijkheden van de leerling en geschiedt op de grondslag van het genoegzaam afsluiten van de desbetreffende deelvakken, zoals blijkend uit het examendossier.
Artikel 16
Voor de aanvang van het centraal examen maakt de voorzitter van de examencommissie aan de kandidaat en bij minderjarigheid van de kandidaat ook diens ouders, voogden of verzorgers, schriftelijk bekend, voorzover van toepassing:
a) welke cijfers hij heeft behaald voor het schoolexamen,
b) de beoordeling van de vakken waarvoor geen cijfer wordt vastgesteld, en
c) de beoordeling van het profielwerkstuk.
3 Het centraal examen
Artikel 19
- Het centraal examen kent een eerste, tweede en derde tijdvak.
- Het eerste en tweede tijdvak worden afgenomen in het laatste leerjaar.
- Het derde tijdvak wordt aansluitend aan het laatste leerjaar afgenomen door de landsexamencommissie.
- De Minister kan vakken aanwijzen waarin volgens zijn aanwijzingen het eindexamen in een of meer tijdvakken wordt afgenomen door de landsexamencommissie.
- Bij toepassing van het derde of vierde lid, leveren de kandidaten de opgaven, de door hen gemaakte aantekeningen alsmede andere door hen gemaakte stukken in bij een van degenen die toezicht houden. De voorzitter van de landsexamencommissie bepaalt, in welke gevallen wordt afgeweken van de eerste volzin, alsmede in welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de kandidaten worden teruggegeven.
- De voorzitter van de landsexamencommissie kan bij toepassing van het derde of vierde lid een locatie aanwijzen, waar de examens worden afgenomen.
Artikel 21
- De voorzitter van de examencommissie kan toestaan dat een gehandicapte kandidaat het examen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die kandidaat. In dat geval bepaalt de voorzitter van de examencommissie de wijze waarop het examen zal worden afgelegd. Hij doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie.
- Tenzij sprake is van een objectief waarneembare lichamelijke handicap, geldt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde aangepaste wijze van examineren dat:
a) er een deskundigenverklaring is die door een ter zake deskundige psycholoog of orthopedagoog is opgesteld,
b) de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in ieder geval kan bestaan uit een verlenging van de duur van de desbetreffende toets van het centraal examen met ten hoogste 30 minuten, en
c) een andere aanpassing slechts kan worden toegestaan voor zover daartoe in de onder a genoemde deskundigenverklaring ten aanzien van betrokkene een voorstel wordt gedaan dan wel indien de aanpassing aantoonbaar aansluit bij de begeleidingsadviezen, vermeld in die deskundigenverklaring.
- Van elke afwijking op grond van het tweede lid wordt mededeling gedaan aan de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie.
Artikel 26
- Het centraal examen wordt gemaakt op gewaarmerkt papier dat is verstrekt door of namens de voorzitter van de examencommissie, tenzij door het Hoofd van het Examenbureau ander papier is verstrekt. Kladpapier wordt gewaarmerkt en verstrekt door of vanwege de voorzitter van de examencommissie.
- Bij het centraal examen is alleen het gebruik van die boeken, logaritmetafels, tabellen en andere hulpmiddelen toegestaan die op grond van artikel 7, tweede lid onderdeel d, zijn toegestaan. Deze boeken, logaritmetafels, tabellen en andere hulpmiddelen zijn in het examenlokaal aanwezig en worden vóór de aanvang van het centraal examen door de voorzitter van de examencommissie of een door hem aangewezen leraar onderzocht.
Artikel 27
- Gedurende het centraal examen verlaten de kandidaten niet zonder toestemming van een surveillant het examenlokaal.
- Een kandidaat wordt tot uiterlijk een half uur na de aanvang van het centraal examen tot dat centraal examen toegelaten.
- Een kandidaat die na aanvang van het centraal examen tot het centraal examen is toegelaten, levert zijn werk uiterlijk in op hetzelfde tijdstip dat voor de andere kandidaten geldt.
- In bijzondere gevallen kan de voorzitter van de examencommissie, de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie gehoord, afwijken van de tijdstippen, bedoeld in het tweede en derde lid, met dien verstande dat de duur van de toets niet wordt overschreden.
- De aan de kandidaten voorgelegde opgaven voor een toets van het centraal examen blijven in het examenlokaal tot het einde van die toets.
Artikel 29
- Indien een kandidaat om een geldige reden ter beoordeling van de voorzitter van de examencommissie is verhinderd bij één of meer toetsen in het eerste tijdvak tegenwoordig te zijn, wordt hem in het tweede tijdvak de gelegenheid gegeven het centraal examen te voltooien. In overleg met de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie bepaalt de voorzitter van de examencommissie hoeveel toetsen maximaal afgenomen worden. Indien artikel 19, vierde lid, toepassing vindt, wordt gelegenheid gegeven het centraal examen op meer dan twee toetsen te voltooien, afhankelijk van de feitelijke mogelijkheden.
- Indien een kandidaat in het tweede tijdvak evenzeer verhinderd is, of wanneer hij het centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak ten overstaan van de landsexamencommissie zijn eindexamen te voltooien.
- De kandidaat meldt zich zo spoedig mogelijk, in geval van een examen aan een van de scholen door tussenkomst van de voorzitter van de examencommissie aan bij de voorzitter van de landsexamencommissie. In geval dat ten behoeve van de kandidaat toepassing is gegeven aan artikel 21, eerste, tweede dan wel derde lid, deelt de voorzitter van de examencommissie dit en waaruit de toepassing bestaat, tevens mede aan de voorzitter van de landsexamencommissie.
- Na afloop van het derde tijdvak deelt de voorzitter van de landsexamencommissie het resultaat mede aan de voorzitter van de examencommissie.
Artikel 34
- Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig deel van het centraal examen dan wel ten aanzien van een aanspraak op vrijstelling aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, dan wel zonder geldige reden afwezig is, kan de voorzitter van de examencommissie maatregelen nemen.
- De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, die afhankelijk van de aard van de onregelmatigheid ook in combinatie met elkaar genomen kunnen worden, zijn:
a) het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het centraal examen,
b) het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een of meer toetsen van het centraal examen,
c) het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het reeds afgelegde deel van het centraal examen,
d) het bepalen dat het diploma en de cijferlijst slechts kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in door de voorzitter van de examencommissie aan te wijzen onderdelen. Indien het hernieuwd examen bedoeld in de vorige volzin betrekking heeft op een of meer onderdelen van het centraal examen legt de kandidaat dat examen af in een volgend tijdvak van het centraal examen.
- Alvorens een beslissing, als bedoeld in het eerste en tweede lid, te nemen wordt de kandidaat in de gelegenheid gesteld door de voorzitter van de examencommissie te worden gehoord. Bij minderjarigheid van de kandidaat geschiedt dit in aanwezigheid van diens ouders, voogden of verzorgers.
- De voorzitter van de examencommissie stelt de kandidaat, en bij minderjarigheid van de kandidaat ook diens ouders, voogden of verzorgers, van zijn beslissing in kennis en wijst daarbij op het bepaalde in het zesde lid.
- De voorzitter van de examencommissie maakt van de beslissing en van de feiten waarop deze steunt, onverwijld een rapport op. Hij zendt van dit rapport terstond een afschrift aan de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie.
- De kandidaat kan binnen drie dagen nadat de beslissing van de voorzitter van de examencommissie te zijner kennis is gebracht, schriftelijk aan de met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie verzoeken de beslissing te herzien. De met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie stelt vervolgens een onderzoek in en beslist op het verzoek. In de beslissing wordt zo nodig vastgelegd op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het centraal examen af te leggen in de vakken waarvan hij de zittingen gedeeltelijk of geheel niet heeft meegemaakt.












